Nieuws

Architectonische lef van Groningen verdient een nieuwe impuls

Groningen heeft nooit gebrek gehad aan lef; misschien moeten we deze lef ook eens op een iets andere manier in onze architectuur inzetten. Daarbij zouden we gebruik kunnen maken van het feit dat Groningen op haar mooist is wanneer verleden en toekomst elkaar versterken. Wie Groningen echt als architectuurstad wil zien, zou niet alleen naar het nieuwste moeten kijken, maar ook naar wat deze stad al eeuwenlang bijzonder maakt. Dat is de strekking van onderstaande opinie.


Leestijd: 3 minuten

Groningen staat, of stond, bekend als een echte architectuurstad. Een stad met lef, waar ook verrassende gebouwen konden worden gebouwd.

Maar wie terugkomt van vakantie en eens goed om zich heen kijkt, vraagt zich af of dit predicaat (nog) wel terecht is. Want maak maar eens een ritje in je auto of op de fiets en let er maar eens op: er zijn ook zeer veel matige en zelfs lelijke gebouwen gerealiseerd de afgelopen vijftig jaar in Groningen. Gebouwen die een jaar of veertig, vijftig geleden de pretentie hadden modern te zijn, en die vernieuwend waren, zien er absoluut niet fijntjes of stijlvol uit.

Niet álle gebouwen uit de afgelopen decennia zijn maar middelmatig of lelijk: zeker niet. Er zijn wel degelijk fraaie moderne gebouwen bijgekomen, bijvoorbeeld aan de Nieuwe Markt.

Maar op sommige plaatsen zijn modernistische gebouwen opgetrokken die een totale gevelwand naar beneden halen. Dan denk je: had dáar, op die plaats, dan gewoon iets gebouwd in aangepaste klassieke stijl, met moderne elementen.

Het vernieuwde Hoofdstation laat zien hoe goed je oud en nieuw kunt combineren, waardoor je van Groningen en stijlvollere stad maakt.

Maar om de een of andere reden is er de afgelopen decennia weinig gebouwd in een klassieke traditie. Niet dat dat perse overal moet, maar het is ook onzin om vooral vernieuwend en modern te bouwen. Dat leidt juist tot eenvormigheid.

Dat is ook te zien aan de Grote Markt. Zeker aan de noordwand staan gevels die niet zo bijzonder zijn, met een koude uitstraling. Maar in die tijd was het “not done” om iets te bouwen met respect voor de Groningse historische traditie.

De architect van het Grand Theatre, Adriaan Wittop-Koning, kreeg in 1922 veel kritiek op zijn gebouw, omdat dat volgens verontwaardigde Groningers niet paste bij ‘de fraaie silhouetten der oude gevels”. In een reactie liet Wittop-Koning weten: “Iemand die waarachtige liefde gevoelt voor de oude kunst, maakt geen kopie. Ook niet op een historisch plein als de Groote Markt. Omdat een quasi-oud-gebouw altijd een grote leugen is in onze moderne maatschappij”.

Deze opmerking, vaak met instemming in Groningen geciteerd, lijkt wel een dogma te zijn geworden. Maar waren die boze Groningers in 1922 dan een beetje dom? Nu, 104 jaar na oplevering, hoor ik niemand zeggen: “Wát een mooi gebouw is dat Grand Theatre eigenlijk”. Dat hoor ik wel zeggen over andere gevels van de zuidwand, of over de Hoge der A. Die hoef je natuurlijk niet na te maken of te kopiëren. Maar je mag je er toch wel door laten inspireren.

Dit is geen pleidooi tégen moderne architectuur. Maar waarom zouden we op sommige plekken waar dat verstandig is niet architecten aan de slag laten met nog meer respect voor de historische binnenstad?

We zijn vóór goede moderne architectuur, maar Groningen zou daarnaast ook haar historische identiteit mogen gebruiken als inspiratiebron. We hoeven niet terug naar vroeger, maar we kunnen wel aanzienlijk meer voortbouwen op wat Groningen bijzonder maakt.

(Hans de Preter)

(Foto boven: Het voormalige pad van GasTerra aan de Stationsweg. Voorbeeld van architectuur die mooier zou kunnen).